Homepage PvdAPvdA in Nederland

PESParty of the
European Socialists

Homepage Afdeling

Bestuur

Vergaderingen

Nieuwsbrief
"De Rode Salon"

Links

Index

   
Partij van de Arbeid
Afdeling Brussel

Speech Max van den Berg, PvdA congres 2000
Rotterdam, 27 mei 2000


Europa, Quo Vadis?

Zal 12 Mei 2000 in de annalen worden bijgeschreven als de dag dat Joschka Fischer het F-woord weer op tafel legde, of zal het rumoer rondom zijn speech verdwijnen? Wat er ook gebeurt, voor mij is de kwestie duidelijk: Europa, Quo Vadis?

Waar staan we nu in de Unie? Het verdrag van Amsterdam geeft bevoegdheden aan de Unie op een breed scala van terreinen, zoals transport, voedselveiligheid, ontwikkelingssamenwerking, milieu en concurrentiebeleid.
Sinds de Eurotop van vorig jaar najaar in Tampere wordt gewerkt aan een gezamenlijk asielbeleid en in Helsinki aan een gezamenlijk Europees defensiebeleid.
De Unie heeft een werkgelegenheidspact en een stabiliteitspact. Er komen binnenkort bindende Europese regels ter bestrijding van het racisme en andere vormen van discriminatie. De Euro is sinds vorig jaar een feit en we staan voor de grootste historische uitdaging die de Unie tot nu toe is tegengekomen. De uitbreiding met 13 landen, waarmee definitief een einde wordt gemaakt aan de scheiding tussen Oost en West-Europa.

Europa is dus op veel terreinen actief en de vraag "kan de Unie dit allemaal wel aan" dringt zich dan ook onvermijdelijk aan ons op. Oftewel om het in goede Nederlandse bestuurskundige termen te zetten. Is het sturend vermogen van de Unie wel voldoende voor al deze uitdagingen toegerust. Deze vraag heeft des te meer actualiteitswaarde, door het gebrekkig vertrouwen van veel burgers in de Europese instellingen.
De Europese burger heeft namelijk absoluut geen boodschap aan fraaie theoretische constructies. Hij of zij verwacht op wezenlijke momenten, bijvoorbeeld tijdens een watersnood of dioxinecrisis een handelende overheid: Dit bereiken we niet door te wijzen op de beperkingen van het publiek bestuur (en daarmee samenhangend de terugtredende overheid) of stappen terug te zetten in de Europese samenwerking en terug te vallen op nationaal beleid. Dit bereiken we alleen door visie en daadkracht te durven tonen.
Én het vergt keuzes. Fundamentele keuzes over de, laten we het maar de "staatsrechtelijke indeling" van de Unie noemen.

De timing voor het debat over de toekomst van de Unie is niet uit de lucht gegrepen, want het aantal lidstaten zal binnen een paar jaar bijna verdubbelen. In de winter van 1999 hebben de Europese regeringsleiders in Helsinki besloten met 13 landen te gaan onderhandelen over toetreding. Een historische kans om vrede en democratie in een ongedeeld Europa te verankeren.

Daartoe is de steun van de Europese burgers onontbeerlijk. Want iedereen zal offers moeten brengen voor de uitbreiding en we zullen zeker tegen stevige problemen aanlopen.

Om een voorbeeld te noemen; de uitbreiding brengt onvermijdelijk kosten met zich mee: Een deel van dit geld moet worden opgebracht door de kandidaatlanden zelf, maar een deel zal ook door ons moeten worden betaald. En in dit perspectief lijkt het Nederlandse standpunt over de netto-betalingspositie -zeker indien men niet harder durft te snijden in de landbouwuitgaven- aan heroverweging toe. Want steun aan de kandidaatlidstaten, Kosovo en armoedebestrijding in de arme delen van de wereld moeten voor een sterk en sociaal Europa prioriteiten zijn; prioriteiten die niet onderling tegen elkaar uit mogen worden gespeeld.
Daarom moet het duidelijk zijn, ook voor iedereen in Nederland, dat naast de inspanningen, de risico's en de noodzakelijke geldelijke steun, veel te winnen valt. Zeker op middellange termijn: veiligheid en stabiliteit op ons continent, een veel grotere binnenmarkt en afzetgebied voor onze producten en al die andere zaken die niet in termen van geld zijn uit te drukken.

Maar ook de mensen die zich straks Europees burger mogen noemen hebben perspectief nodig. In deze landen wordt hard gewerkt om aan de EU-voorwaarden te voldoen. Dit gaat gepaard met strakke begrotingen en economische herstructurering. Dit betekent offers voor de burgers in landen waar de armoede veel groter is dan in de Unie en een sociaal vangnet meestal ontbreekt.
Wij moeten hun dus een perspectief bieden die hen de moed en daadkracht geeft om zelf aan hun land te bouwen. Ook daarom moeten we ons eigen huis op orde brengen.

Het bestuurlijk chassis van de Unie is destijds in elkaar gezet voor besluitvorming met 6 lidstaten. Met de huidige 15 leden kraakt zij al in haar voegen en iedereen is het erover eens dat de huidige structuren in een Unie van 27 of meer lidstaten tot een ramp zullen leiden.
Het vooruitzicht van een Ministerraad waarbij iedere lidstaat een half uur het woord voert om zijn standpunten uiteen te zetten - en dit is het strikte minimum- , zal bij veel ministers het zweet doen uitbreken. Na twee dagen vergaderen kunnen pas de eerste spijkers met koppen worden geslagen. Niet wat je noemt een slagvaardige en efficiënte Unie.
Daarom is in Maart van dit jaar de intergouvernementele conferentie van start gegaan. Dit overleg tussen de lidstaten moet resulteren in aanpassingen van de Europese verdragen, zodat de Europese besluitvorming niet vastloopt in massaliteit.
En juist bij deze intergouvernementele conferentie, zien we een spagaat tussen ambitie en daadkracht. De Unie vervalt in haar oude patroon van kleine stapjes en voorzichtige onderhandelingen en de conferentie wordt dan ook al gekenschetst als een van de minst ambitieuze die de Unie heeft gekend. Er wordt gesproken over een aantal onderwerpen waar men tijdens de intergouvernementele conferentie over het verdrag van Amsterdam niet uit kwam, zoals het aantal Commissarissen per lidstaat en de stemmenweging in de raad. Maar wat het meest evident is echter, is dat de conferentie totaal gespeend blijft van visie en daaraan gekoppeld daadkracht, terwijl dit juist nu zo hard nodig is, willen we alle ambities voor Europa waar kunnen maken.

De Unie heeft in het verleden laten zien dat zij politieke ambitie met daadkracht kan combineren. Kijk naar de Euro. Maar deze kroon op de Europese economische samenwerking lijkt nu al onderhevig aan erosie. Tot nu toe wordt de oplossing voor deze eerste crisis hoofdzakelijk gezocht in het monetair beleid. Dit lijkt mij toch een veel te enge kijk op de zaken. En daarom is eigenlijk onvermijdelijk geworden, wat veel mensen al weten, méér politieke samenwerking in Europa.
Voor mij staat het sociaal beleid en daaraan verbonden arbeidsmarktbeleid, stimulansen voor onderwijs en kinderopvang en een actievere Europese belastingpolitiek bovenaan. Europese publieke armoede in een wereld van private, maar zeer oneerlijke verdeelde, rijkdom ervaar ik als een reëel gevaar. Wij moeten ons eigen Europese model van premies, belastingen en publieke voorzieningen, verdedigen tegen kil marktdenken, zodat verworvenheden als gezondheidszorg of kennis niet primair tot winstobject worden gemaakt.
Want -ondanks alle monetaire geruststellingen- kan ook de euro in 2002 in gevaar komen. En laat op dat punt geen enkele politicus zich enige illusie maken: de Europese burger verwacht alle noodzakelijke acties om die munt betrouwbaar en safe te doen zijn.
Om het met de woorden van Giscard d'Estaing te zeggen; het is essentieel om de euro van een geloofwaardige casting te voorzien. Maar de casting zit hem naar mijn mening niet in de persoon van Duisenberg, maar of de euro zelf wordt gesteund door een effectief krachtig Europees beleid.

Ik wil dan ook waarschuwen voor een te minimalistische houding. Aan Europa moet verder worden gebouwd. Anders blijven we straks zitten met een lege huls van wetgeving en samenwerkingsverbanden, die niet in staat is dat te leveren waar de burger om vraagt. Daadkracht, effectiviteit en verantwoording.
Klein, middelgroot en groot; Angelsaksisch of mediterraan, het mag en kan geen excuus zijn voor een gebrek aan gezamenlijke visie en daadkracht. En dit vergt politieke keuzes; keuzes over de "politieke" integratie van de Unie.

Voor mij is deze keuze duidelijk. We zullen de kant van een opmoeten. Dat betekent een Europese Commissie die als een Europese regering wordt verkozen, te beginnen met de Commissievoorzitter. Dit betekent een raad van regeringsleiders die de Commissie actief ondersteunt en afziet van vetorecht op beleidsterreinen waar politieke samenwerking essentieel is. Hieraan is rechtsreeks gekoppeld dat het Europees Parlement het orgaan wordt voor de controle op de regering. Dit betekent medebeslissing voor het parlement op alle terreinen waarover de Unie zeggenschap heeft, ook ten aanzien van het landbouwbudget. Dit vergt ook de bevestiging van het bondgenootschap tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement. Ik pleit dan ook voor een Europese senaat die wordt samengesteld uit de nationale parlementen

Dit betekent overigens geen vrijbrief voor ongebreidelde centralisering. Ik steun allen die vinden dat krachtig stelling moet worden genomen tegen overbodige en niet noodzakelijke regelgeving in Europa. Daar is niemand mee gediend. Maak het bestuurscentrum juist vrij voor het wezenlijk werk, zorg voor een duidelijke taakverdeling en maak landen en regionaal en lokaal bestuur verantwoordelijk voor resultaten. Zorg dat de burger hen aanspreekt op rechtsbescherming, democratische controle en resultaat en pak nalatigheid -Europees gecontroleerd- hard aan.

Kortom een moderne variant van het Europese f-woord met meer oog voor legitimatie, de Europese burger en haar maatschappelijke organisaties.

De sociaal democratische leiders die in meerderheid in Europa regeren hebben een hele grote verantwoordelijkheid bij het maken van deze politieke keuze. Aan hen dus ook mijn appél. Toon leiderschap, toon visie. Schmidt, Fischer of Giscard, zij zijn allen van belang, maar Kok, Schröder, Blair, Jospin en al die andere socialistische regeringsleiders zijn aan zet. Avanti.

Een Europa met hechte politieke samenwerking kan zijn mannetje staan in de wereld. Een sterk en sociaal Europa kan onze Europese waarden overeind houden en verdedigen. De markt in ongebreidelde vorm, zonder internationaal sociaal tegenwicht en regelgeving zal dat zeker niet doen. Solidariteit en mensenrechten blijven een ondeelbaar goed, daarin ligt de opgave voor een waarachtig Europese en internationale sociaal-democratie.

Een belangrijke aanzet tot hechtere politieke samenwerking is gemaakt op de recente "dot-com" top in Lissabon waar de Europese sociaal-democratie met verve nieuwe ambities heeft neergelegd. Besloten is de komende 10 jaar via ingrijpende hervormingen ruwweg twintig miljoen banen te scheppen. Een ambitieus initiatief van groot belang, want veel mensen profiteren nog steeds niet van de nieuwe (kennis) economie. De 20 % rijken zijn de afgelopen jaren vier maal rijker geworden en maken drie keer zoveel gebruik van het internet. Circa 9 procent van de bevolking is werkeloos en veel ouderen en vrouwen hebben vaak geen toegang tot de arbeidsmarkt. Stimuleren van de kennismaatschappij kan deze grote problemen helpen oplossen. En daarin loopt Europa achter bij de Verenigde Staten.
De kennismaatschappij kan enorm democratiserend werken. Zij biedt kansen aan regionaal geïsoleerde gebieden, verlaagt de drempel voor toegang tot de informatie van de overheid en zal de afstand "in vogelvlucht" tussen volkeren en landen verkleinen.
Kennis is macht zoals het oude adagium luidt. Toegang tot deze kennis mag daarom niet aan de markt worden overgelaten. De toegang tot elektronische media moet dan ook voor iedereen worden zeker gesteld. Want alleen dan kan worden voorkomen dat een nieuwe klasse van "kennis-bezitters" wordt gecreëerd, terwijl de gedwongen digi-beten het nakijken hebben. We moeten dus werken aan een Europa van ons allemaal en voor iedereen.

Onder embargo tot 27 mei 2000, 11.00 uur

Gesproken woord geldt

Top

Welkom | webmaster |

© PvdA Brussel